Blog

Omgevingswet per 2021 handige checklist

Omgevingswet per 2021 handige checklist voor gemeenten

De beoogde inwerkingtreding van de Omgevingswet is (nog steeds) 1 januari 2021. Voor gemeenten vergt dat een behoorlijke voorbereiding. Wanneer begin je als organisatie, hoe richt je de betreffende afdelingen in, etc. Er komt heel veel af op gemeenten. Hopelijk krijgen ze hier ook voldoende budget voor.

Vanuit het ministerie is een handige checklist verschenen voor overheden. Wat dient er op voornoemde datum klaar te zijn? Zie 27062019 checklist gemeente.

27 juni 2019

Staalkaart bedrijfsmatige activiteiten stappenplan

Staalkaart bedrijfsmatige activiteiten stappenplan is nu al toe te passen

Om alvast praktijkervaring op te doen met het Omgevingsplan wordt geadviseerd om voortaan voor de onderbouwing van milieuzonering gebruik te maken van het stappenplan, zoals aangegeven in de Staalkaart bedrijfsmatige activiteiten (stap 1 t/m 6). Aan de hand van deze stappen kan een onderbouwing worden gemaakt voor de toelichting van een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing. Het stappenplan is opgenomen op p. 24 van de Staalkaart bedrijfsmatige activiteiten. Hierbij het stappenplan in het kort (vrij vertaald):

  1. Wat is de gebiedsfunctie? De staalkaart noemt 3 gebiedsfuncties: bedrijventerrein of ander werkgebied, woongebied en gemengd gebied.
  2. Wil de gemeente bedrijfsmatige activiteiten in het gebied toestaan? Zo ja welke?
  3. Inventariseer de bestaande omgevingsbelasting in het gebied als gevolg van bedrijfsmatige activiteiten.
    De omgevingsbelasting heeft onder meer betrekking op geluid, geur, trillingen en externe veiligheid. De staalkaart noemt de volgende kwaliteitsniveaus: goede kwaliteit, standaardkwaliteit en basiskwaliteit.
  4. Welke ambitie heeft de gemeente over de gewenste omgevingskwaliteit door bedrijfsmatige activiteiten in het gebied?
    Bijv. de acceptatie van een hogere omgevingsbelasting vanwege de aanwezigheid van enkele bedrijven of juist het streven naar een lage omgevingsbelasting omdat de gezondheid van bewoners hier prioriteit heeft? Welke rol wil de gemeente hierin hebben? Sturend of juist consoliderend?
  5. Welke ontwikkelambities heeft de gemeente in het gebied en het naastgelegen gebied?
  6. Welke wettelijke kaders zijn er?
  7. Toedeling van functies en activiteiten aan locaties
  8. Toedeling van regels aan activiteiten.

Besef dat dit stappenplan geen blauwdruk is. De praktijk moet uitwijzen of het stappenplan voldoet of er dat er wellicht andere stappen nodig zijn. Oefen vooral!

Wilt u ondersteund worden bij een onderbouwing inzake milieuzonering aan de hand van dit stappenplan of advies over dit onderwerp?

Bel 010 – 268 0689 voor meer informatie.

Omgevingsplanactiviteit voor bouwen

Omgevingsplanactiviteit voor bouwen: de gemeente is aan zet!

Eén van de meest ingrijpende wijzigingen voor de dagelijkse praktijk is dat gemeenten zelf gaan bepalen of er al dan niet een vergunning nodig is voor het bouwen van een bouwwerk. In het omgevingsplan kan er een vergunningplicht worden opgenomen. Volgens de Invoeringswet Omgevingswet (MvT p. 64) is hierbij de gemeente aan zet!

De vergunningplicht voor bouwwerken wordt niet meer op centraal landelijk niveau geregeld, maar op decentraal (gemeentelijk) niveau in het omgevingsplan. Dit betreft een omgevingsplanactiviteit. omgevingsplanactiviteit bouwen

Naast een vergunning voor het bouwen kan er ook een vergunning nodig zijn voor de staat waar het bouwwerk aan moet voldoen.

Persoonlijk vind ik dat er veel te veel op het bordje van de gemeente wordt neergelegd. Naast de grote hoeveelheid werk acht ik het ook niet juist dat de wetgever een dergelijke grote verantwoordelijkheid bij het lokale bestuur neerlegt. De praktijk is namelijk dat de meeste gemeenten een ernstig capaciteitstekort hebben aan personeel – er is de laatste jaren fors bezuinigd op afdelingen die zich met ruimtelijke ordening en vergunningen bezighouden – en vanwege mede het kennistekort dit uitbesteed zal gaan worden aan adviesbureaus. Hoewel ik zelf als adviseur graag gemeenten ondersteun, kan het m.i. niet de bedoeling zijn dat in feite adviesbureaus gaan bepalen welke bouwwerken er al dan niet vergunningplichtig zijn of worden. De meeste kennis ligt namelijk niet meer bij gemeenten. Vrijwel alles wordt uitbesteed aan adviesbureaus. Ik vind dit een zorgwekkende ontwikkeling. Een goed functionerende maatschappij heeft ook een sterke overheid (lees: gemeente) nodig en geen ja-knikkers.

Omgevingsplanactiviteit: wat is het?

Omgevingsplanactiviteit

De Invoeringswet Omgevingswet (34 986, no. 3, MvT) heeft gezorgd voor een wijziging van de term ‘afwijkingsactiviteit’ naar de term ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’. Met deze laatste term worden alle vergunningplichtige activiteiten die verband houden met het omgevingsplan met samenhangende termen aangeduid.

Alle vergunningplichtige activiteiten die verband houden met het omgevingsplan worden aangeduid met de term ‘omgevingsplanactiviteit’. Artikel 1.1 van de Omgevingswet luidt:

  • een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan;
  • een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of;
  • een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.

De buitenplanse omgevingsactiviteit wordt als volgt omschreven:

  • een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
  • een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.

Volgens de MvT bij de Invoeringswet gaan er voor de buitenplanse omgevingsactiviteiten aanvullende regels gelden. Zo zal de gemeenteraad ten aanzien van deze buitenplanse omgevingsactiviteiten de mogelijkheid krijgen gevallen aan te wijzen waarin het een adviesbevoegdheid heeft en kunnen Gedeputeerde Staten gevallen aanwijzen waarvoor het een advies- en instemmingsbevoegdheid heeft. Lees meer op p. 56-58 van de MvT van de Invoeringswet Omgevingswet.

Omgevingsplan en regels milieubescherming

Omgevingsplan en regels milieubescherming

Het omgevingsplan gaat over de fysieke leefomgeving, zoals over de aspecten bodem, water, lucht, geluid, geur en externe veiligheid. Wellicht zijn er nog meer aspecten die kunnen worden opgenomen in het omgevingsplan. De buitengrens wordt bepaald door de afbakening met andere wetgeving waarin een bepaald onderwerp uitputtend wordt geregeld. Het komt er dus op neer dat er veel kan worden geregeld in het omgevingsplan zolang het maar onder de paraplu valt van de fysieke leefomgeving.

Uit het oogpunt van milieubescherming zijn de belangrijkste typen regels van het omgevingsplan:

  • Omgevingswaarde: legt een doelstelling vast voor de fysieke leefomgeving. De omgevingswaarde vervangt de bestaande milieukwaliteitseisen, zoals die nu bekend staan van de Wet milieubeheer. De omgevingswaarde is primair gericht tot het vaststellende orgaan. Dat betekent dat een omgevingswaarde geen rechtstreeks werkende normen voor anderen bevat.
  • Regels over functies en locaties. Dit is vergelijkbaar met het huidige bestemmingsplan waar bestemmingen en regels zijn opgenomen. Het heeft wel een breder oogmerk dan in het bestemmingsplan. De Omgevingswet geeft bijv. aan dat in ieder geval rekening moet worden gehouden met de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1, lid 4 Ow). Er kunnen bijv. regels worden opgenomen over de aanvaardbare geluidskwaliteit in een gebied.
  • Meldingen en vergunningen. Er kan in het omgevingsplan een meldingsvereiste worden opgenomen (artikel 4.4 Ow). Zonder voorgaande melding is het dan niet toegestaan om de betrokken activiteit te verrichten. Het omgevingsplan kan ook dienen als toetsingskader voor diverse omgevingsvergunningen.
  • Programma’s. In het omgevingsplan kunnen programma’s worden aangewezen met een programmatische aanpak, zoals het NSL.

 

Nationale Omgevingsvisie – reactie advies Verbindend landschap

Nationale Omgevingsvisie – reactie op advies Verbindend landschap

Het advies van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (Rli) heeft als centrale vraag: “Hoe moet de zorg voor de kwaliteit van het Nederlandse landschap geborgd worden nu er een grote dynamiek in dat landschap verwacht wordt als gevolg van veranderingen in ruimtelijke functies?”

Nederland staat aan de vooravond van grote transities. De combinatie van ingrijpende ruimtelijke veranderingen en voor terugtredende overheid brengt volgens de raad risico’s met zich mee voor de kwaliteit van het landschap. De hoofdaanbeveling van de raad is om landschap centraal te stellen bij de ruimtelijke vormgeving van duurzaamheidstransities en de samenleving van deze transities én met de kwaliteit van het landschap te verbinden. De raad adviseert alle partijen om bij ruimtelijke ingrepen:

  • de duurzaamheidstransities te benutten om waardevol landschap te creëren;
  • de betekenis en de waarden van het landschap in een open gesprek met bewoners en gebruikers te verkennen;
  • gebruik te maken van een ontwerpende benadering bij de ruimtelijke vertaling van transitieopgaven.

Lees meer in de brief van 16 april 2018.

Nationale Omgevingsvisie in het kort

Nationale Omgevingsvisie in het kort

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt de langetermijnvisie op de noodzakelijke en de gewenste ontwikkeling naar een duurzame fysieke leefomgeving. Eind 2018 wordt de ontwerpversie aan de 2e kamer verzonden (is de verwachting). De NOVI zal in 2019 worden vastgesteld.

NOVI voor nationale belangen – De NOVI is op basis van de Omgevingswet zelfbindend voor het Rijk. In het gedecentraliseerde stelsel van het omgevingsbeleid pakt het Rijk weer een actieve rol. In de NOVI worden nationale belangen aangewezen. Volgens de minister is de situatie urgent.

Prioriteiten voor de NOVI 

  1. Duurzaam economisch groeipotentieel voor Nederland. Grote ontwikkelingen ten behoeve van een duurzaam en concurrerend vestigingsklimaat vragen om focus op de volgende punten:
    – transities van haven- en industriegebieden;
    – transformatie van productieprocessen (naar een circulaire economie);
    – versterking van industrieclusters;
    – (internationale) bereikbaarheid van economische kerngebieden;
    – leefbaarheid en aantrekkelijkheid van steden en economische kerngebieden;
    – versterking van de stedelijke economie;
    – robotisering en digitalisering.
  2. Ruimte voor de klimaat- en energietransitie. Klimaat en energie hebben niet eerder zoveel gevraagd van onze fysieke leefomgeving. De focus ligt onder andere op:
    – verduurzaming bestaande bebouwde omgeving;
    – duurzame warmteopties en bijbehorende infrastructuur;
    – duurzame elektriciteit;
    – energienetwerken;
    – nieuw vestigingsbeleid voor grote energievragers;
    – CO2-afvang, opslag en gebruik;
    – verduurzaming mobiliteit;
    – Noordzee.
  3. Sterke, leefbare en klimaatbestendige steden en regio’s met voldoende ruimte om te wonen, werken en bewegen. Gezondheid en veiligheid vraagt om een specifieke benadering, breder dan alleen gericht op industrie en transport. De inrichting van de stad doet ertoe, om voor mensen een prettiger leefklimaat te realiseren. Verbetering van de gezondheid en veiligheid is dan ook meer dan het op orde hebben van de basiskwaliteit van de woon- en werkomgeving, namelijk de ontwikkeling van gezonde en veilige toepassingen en een bijbehorende inrichting van gebieden. De focus ligt op:
    – klimaatadaptieve inrichting;
    – natuurinclusieve en gezondheidsbeschermende en – bevorderende planvorming (meer groen, meer bewegen);
    – aardgasvrije wijken.
  4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De focus ligt op:
    – natuurinclusieve en circulaire land- en tuinbouw;
    – het beperken van de gezondheidseffecten van intensieve veeteelt;
    – waterveiligheid, milieu- en waterkwaliteit en klimaatadaptie;
    – bodemdalingsproblematiek.

Lees meer in de brief van minister Ollongren d.d. 13 april 2018 (TK, 2017-2018, 34 682, nr. 3.

Omgevingswaarden in omgevingsplan

In een omgevingsplan kunnen omgevingswaarden worden vastgesteld (artikel 2.11 Omgevingswet). Wat zijn omgevingswaarden? In de wet is geen definitie opgenomen. In de MvT staat het volgende:

Omgevingswaarden zijn juridisch verankerde beleidsdoelen. Een omgevingswaarde is een maatstaf voor de staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving of een onderdeel daarvan, of de toelaatbare belasting door activiteiten of toelaatbare concentratie of depositie van stoffen in de fysieke leefomgeving of een onderdeel daarvan, uitgedrukt in meetbare of berekenbare of andere objectieve termen.

Het betreft dus niet de algemeen geformuleerde landschaps- of natuurwaarden, maar de concreet geformuleerde normstellingen, zoals bijv. emissieplafonds.

Omgevingswaarden zijn alleen gericht tot de gemeente die de omgevingswaarde stelt, dus niet tot burgers en bedrijven. Voor gemeenten is het vaststellen van omgevingswaarden een centraal sturingsinstrument, samen met het toedelen van functies aan locaties. Burgers en bedrijven krijgen pas te maken met een omgevingswaarde als de gemeente deze doorvertaalt naar regels aan activiteiten in het omgevingsplan.

Omgevingsplanactiviteit. Wat is het?

Omgevingsplanactiviteit. Wat is het?

Alle vergunningplichtige activiteiten die verband houden met het omgevingsplan. Het gaat daarbij zowel om de activiteiten die in het omgevingsplan zelf vergunningplichtig zijn gesteld, als de activiteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan.

Een besluit over een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit wordt voorbereid met de reguliere procedure. Nieuw is dat een aanvrager moet aangeven of en op welke wijze omwonenden bij de aanvraag zijn betrokken. Er kan bijv. worden gekozen voor inspraakgelegenheid voorafgaand aan het indienen van de aanvraag. Tegen het besluit over de vergunning kan bezwaar worden gemaakt door belanghebbenden, waarna vervolgens beroep en hoger beroep mogelijk is.

Meer informatie over de omgevingsplanactiviteit volgt.

15 oktober 2017

Fysieke leefomgeving Omgevingsplan

De Omgevingswet bepaalt in artikel 2.4 dat de gemeenteraad voor het hele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vaststelt waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen.

De wet bepaalt niet exact wat onder fysieke leefomgeving moet worden verstaan. Wel benoemt de wet welke aspecten de fysieke leefomgeving in elk geval omvat:

  • bouwwerken
  • infrastructuur
  • watersystemen
  • water
  • bodem
  • lucht
  • landschappen
  • natuur
  • cultureel erfgoed
  • werelderfgoed

Uit de MvT van de wet wordt duidelijk dat het omgevingsplan alle regels over de fysieke leefomgeving moet bevatten. Er zijn 2 hoofdonderdelen van de fysieke leefomgeving te onderscheiden:

  • de natuurlijke omgeving
  • de bebouwde omgeving

Voertuigen en gehouden dieren worden niet tot de fysieke leefomgeving gerekend. Bomen en vaste planten, met inbegrip van fruitbomen, kunnen ook tot de fysieke leefomgeving worden gerekend. Dit geldt echter niet voor landbouwgewassen die slechts enkele maanden aanwezig zijn in de omgeving en dan weer worden geoogst. De beoordeling of iets tot de fysieke leefomgeving behoort is echter altijd afhankelijk van de omstandigheden van het specifieke geval.

Gevolgen voor de fysieke leefomgeving – Zie artikel 1.2. Deze bepaling kleurt het toepassingsbereik verder in:

  • het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan,
  • het gebruik van natuurlijke hulpbronnen
  • activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt
  • het nalaten van activiteiten
  • gevolgen voor de mens, voor zover deze wordt of kan worden beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving.