Toon gevoel in participatie!

Toon gevoel in participatie van ruimtelijke plannen!

Participatie bij ruimtelijke plannen is hot en staat volop in de belangstelling bij gemeenten. Participatie is ook moeilijk. Het lijkt een schaakspel vol belangen. Financiële belangen van projectontwikkelaars, politieke belangen en burgers die tegen een plan zijn of iets anders willen. Hoe organiseer je dat nu het beste? Het is lastig en complex. Wat voor de ene groep een voordeel is, kan voor de ander een last zijn. Wat wel belangrijk is heb ik gemerkt, is zo vroeg mogelijk met mensen om de tafel gaan zitten. Meestal gebeurt dat pas als de plannen al in een ver gevorderd stadium zitten met perfect uitziende plaatjes. Dat is te laat.

Stop met de Photoshop-terreur – Vrijwel alle visies, sfeerimpressies en plannen zitten vol met perfect uitziende landschappen en mensen, en zien er hetzelfde uit. Vreselijk! Het zijn koude en klinisch, perfect uitziende plaatjes en kaartjes. Totaal niet inspirerend. Het raakt mensen niet. Mensen emotioneel raken is volgens mij het belangrijkste bij participatietrajecten. Dat je als inwoner het gevoel krijgt dat de nieuwe buurt echt voor mensen is gemaakt, ook al ben je het er niet mee eens. Gevoel is steeds verder op de achtergrond geraakt en wordt overschaduwd door financiële en zakelijke belangen. Geld is zeker belangrijk om een plan uit te kunnen voeren, laat daar geen misverstand over bestaan, maar het plan moet voor mensen gemaakt worden. Toon als ontwerper eens ruwe schetsen, hoe is het plan ontstaan? Al schetsend en schurend komt iets tot stand. Ik wil ook de mislukkingen zien, geen perfectie. Helaas zien we altijd het eindresultaat: het perfect uitziende kille plaatje. Betekenisloos. Afwisseling in handgemaakte schetsen, tekeningen, maquettes, VR-ervaringen en Photoshop-afbeeldingen zou al winst zijn. Het moet deel uitmaken van een inspirerend verhaal over de omgeving. Dat kost veel tijd en moeite, maar levert meer op omdat het inspireert en mensen aan het denken zet. De kunst is mensen die sceptisch naar een inloopavond komen, in elk geval te raken met het verhaal van de locatie en aan het denken te zetten. Daar hoort ook imperfectie bij, al vinden we dat als beroepsbeoefenaars lastig.

Landschap is meer dan data – Een mooi initiatief en dimensie in aanpak voor ruimtelijke planvorming komt van Arita Baaijens. In een artikel in het tijdschrift Blauwe Kamer uit 2020 geeft ze aan dat vrijwel iedereen een gevoel heeft bij een plek. Ze heeft het ook over common ground en verbeeldingskracht: “In participatietrajecten wordt gesproken in het jargon van experts, gewerkt met kaarten die planners en ontwerpers op basis van kwalificeerbare data fabriceren. Maar het landschap is meer dan een optelsom van data en cijfers. Het is een verzameling van belevingen, ervaringen en herinneringen. Die subjectieve kant heeft in de meeste planprocessen het nakijken. (…) Laat beleidsmakers, ontwikkelaars, bewoners, burgemeesters of wie dan ook in het veld het gesprek voeren over waarnemingen en ervaringen. [einde citaat]”. 

Ingewikkeld en vaag? Ja, maar ruimtelijke planvorming is complex en het lijkt mij de moeite waard om het voortraject eens anders aan te pakken om bijvoorbeeld eens gezamenlijk de fiets te pakken. Een boeiend verhaal ter plaatse over de plek met uitleg over de plannen zou toch een mooi begin kunnen zijn in plaats van in een zaaltje. Meerdere keren met elkaar door de locatie lopen. Het vergt moed en kost veel tijd, maar levert denk ik op de lange termijn veel op: meer begrip voor elkaars standpunten, elkaars belangen en de uitvoering van het plan.

 

Agrarische adviescommissie heeft het weer mis

Agrarische adviescommissie heeft het weer misagrarische adviescommissie

Ook onder het regime van de Omgevingswet zullen gemeenten agrarische adviescommissies blijven inschakelen. Op zich is er niets mis mee om je door experts te laten adviseren. Deze commissies moeten vaak beoordelen of een aanvrager al dan niet een volwaardig of reëel agrarisch bedrijf heeft. In de praktijk hebben deze commissies veel te veel macht en wordt hun advies als ‘harde waarheid’ beschouwd door gemeenten. Als het advies negatief is, dan is meestal de toon al gezet. Het is dan voor een aanvrager bijna onmogelijk om het tij te keren. Met name is dit het geval als er sprake is van een startend bedrijf. Maar ook bij een bestaand bedrijf kan het onnodige drempels opwerpen.

In dit geval gaat het om een weigering omgevingsvergunning te verlenen voor een werktuigenberging bij een vleesveebedrijf. De betreffende bestemmingsplanregel luidt als volgt: “Agrarische bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen mogen uitsluitend worden gebouwd, indien de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond en de bouw plaatsvindt ten behoeve van een reëel of volwaardig agrarisch bedrijf (…)”. Volgens de gemeente is de aanvraag in strijd met het bestemmingsplan. De gemeente heeft de hulp ingeroepen van een agrarische adviescommissie en deze heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een reëel agrarisch bedrijf.

De Afdeling is van oordeel dat de gemeente zich niet heeft kunnen baseren op het advies van deze commissie: “De Afdeling is van oordeel dat er in het bijzonder aanleiding was om de SABc om een reactie te vragen met betrekking tot de werkzaamheden die betrekking hebben op het grasland en de ruwvoerteelt en de vraag naar het groeiperspectief van het bedrijf. Weliswaar heeft het een tijd geduurd voordat appellant inhoudelijk op het advies van de SABc heeft gereageerd, maar dat betekent niet dat het college aan de (…) bezwaren tegen het advies van de SABc voorbij kon gaan.” Lees meer in r.o. 5.7 van uitspraak ABRS 23 februari 2022, no. 202005213/1/R4.

Aan RO-medewerkers van gemeenten: neem niet klakkeloos het advies van agrarische adviescommissies over. Geef ook de aanvrager de kans en de tijd om met een onderbouwing te komen die ingaat op het advies. Uiteraard hoef je geen genoegen te nemen met feitelijke onzin of onderbouwingen van een paar zinnen, maar er bestaan meer waarheden dan deze commissies aangeven. Het is een advies, meer niet. Ook binnen de agrarische sector gaan de ontwikkelingen hard en zijn er meerdere aanvliegroutes om tot een volwaardig of reëel bedrijf te komen. Probeer hier voor open te staan en wijs het niet op voorhand al af. Ondernemerschap is onzekerheid en vergt lef. Neem ook die aspecten mee. Dat is al winst.

Hoofdroute Omgevingswet 2022 aangepast

Hoofdroute Omgevingswet 2022 aangepast hoofdroute Omgevingswet

Omdat de Omgevingswet later wordt ingevoerd – op 1 januari 2023 – is ook de Hoofdroute Omgevingswet 2022 aangepast. Volgens de brief van minister de Jonge van 24 februari 2022 ziet dat er in hoofdlijnen als volgt uit:

  • Op 1 april 2022 start de stabiliseringsperiode. Vanaf die datum worden er in principe geen nieuwe functionaliteiten meer doorgevoerd in het DSO-LV.
  • Vanaf 1 april 2022 wordt de gehele keten intensief getest door alle partijen. Mocht het tegenzitten dan dienen gemeenten rond 1 juli 2022 te kiezen voor de tijdelijke alternatieve maatregelen (TAM). Die moeten uiteindelijke borgen dat de Omgevingswet op 1 januari 2023 in werking treedt.

Lees meer in de brief en bekijk het schema.

Voor gemeenten is het belangrijk om een stevig juridisch casco omgevingsplan te maken. Volg dus niet klakkeloos het VNG-casco! Zoals de VNG zelf ook aangeeft is dit casco een hulpmiddel en kan het dienen als inspiratie. Nu er iets meer adempauze is, denk na over een juridisch samenhangend casco. Dat is de basis voor het omgevingsplan voor de gemeente. Het lijken open deuren te zijn, maar de praktijk is anders. De documenten over het omgevingsplan zijn vrijwel allemaal ingestoken vanuit het ICT-oogpunt. De ICT-professionals kijken anders naar een omgevingsplan dan juristen. De juridische wereld mag dan conservatief zijn, maar het is belangrijk dat de ICT ondersteunend is aan het juridische casco en niet andersom.

Feit blijft dat het omgevingsplan een juridisch instrument is waarmee de gemeente in de praktijk moet kunnen werken: gemeente moet kunnen handhaven, het rechtszekerheidsbeginsel is een belangrijk uitgangspunt dat verankerd moet worden in een omgevingsplan. Boterzachte doelen van de Omgevingswet in een omgevingsplan klinken voor de bühne goed, maar zijn in de praktijk niet te handhaven of te realiseren. Het omgevingsplan dient ook antwoorden te kunnen geven op basale vragen van burgers als ‘mag ik daar een woning bouwen, zo ja, hoe hoog?’. Bepalingen in een omgevingsplan dienen verder voldoende concreet te zijn. Een heldere set basisregels en casco vormen een start-omgevingsplan. Dit start-omgevingsplan kan later uitgebouwd worden.

Bel 010 – 307 2273 voor meer informatie. Wij ontzorgen gemeenten bij een start-omgevingsplan.

Inwerkingtreding Omgevingswet op 1 januari 2023

inwerkingtreding Omgevingswet
Omgevingswet uitgeprint

Inwerkingtreding Omgevingswet op 1 januari 2023

Eindelijk wat realisme bij het ministerie van VROM! En wat meer lucht voor gemeenten! De inwerkingtreding van de Omgevingswet schuift door naar 1 januari 2023, volgens een brief van 24 februari 2022. Minister de Jonge heeft het in brieven steeds over ‘een zorgvuldige invoering van de Omgevingswet’. Dat is een rookgordijn voor ‘de boel werkt nog lang niet’. De motorkap van de Omgevingswet – het DSO-LV – is nog lang niet in orde en werkt niet. De Omgevingswet is een groot ICT-project, meer dan een wetgevingstraject.

Ook in de gemeentelijke uitvoeringspraktijk wordt steeds meer gedigitaliseerd. Sinds de virus-uitbraak hebben we te maken met een soort van ‘crash-digitalisering’ die in sneltreinvaart op ons af is gekomen. Dit heeft veel effecten, op werkgelegenheid, de psyche van mensen en ons dagelijkse leven. Het belangrijkste doel moet wel zijn dat digitalisering ondersteunend moet zijn, het leven van mensen gemakkelijker moet maken en geen last mag zijn. De Omgevingswet is een soort van containerschip: is af en toe uit koers, lastig om bij te sturen en komt uiteindelijk op de plek van bestemming. Uiteindelijk weet niemand of 1 januari 2023 genoeg lucht geeft, maar voor nu in elk geval wel.

In een brief aan de Tweede kamer wordt een nieuwe planning aangegeven voor 2022.

Biomassa verbieden in omgevingsplan?

Biomassa verbieden in omgevingsplan?biomassa verbieden

Over biomassa wordt veel geroepen en geschreven in de media. Biomassa als energiebron is een hot item, ook in de politiek. In de EU-richtlijn 2009/28/EG wordt biomassa genoemd als een hernieuwbare energiebron. Leden van Groen Links vragen zich af of op gemeentelijk niveau vergunningplichten in het leven kunnen worden geroepen via het omgevingsplan. Staatssecretaris Heijnen beantwoordt een aantal vragen in een brief van 21 februari 2022.

Volgens de staatssecretaris is de VNG bezig om de Staalkaart Energietransitie te actualiseren. Hierin worden ook de biomassa gestookte ketels als onderwerp meegenomen. Het gaat bijvoorbeeld om het opnemen van een vergunningplicht voor biomassa gestookte ketels of installaties.

Volgens de brief onderschrijft het nieuwe kabinet dat lage temperatuurswarmte uit houtige biogrondstoffen een laagwaardige toepassing is die zo snel mogelijk afgebouwd moet worden. De staatssecretaris geeft aan dat gemeenten een vergunningplicht kunnen opnemen in het omgevingsplan: “Maar gemeenten kunnen ook locaties rondom woonwijken uitsluiten voor biomassacentrales of geschikte locaties aanwijzen. Het wijzigen van een omgevingsplan verloopt via de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Hierbij is er op verschillende momenten inspraak mogelijk. Ten eerste geeft de gemeente kennis van het voornemen om het omgevingsplan te wijzigen. In deze kennisgeving staat onder andere hoe de gemeenteraad burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding gaat betrekken. Vervolgens kunnen er zienswijzen worden ingebracht op het ontwerp-omgevingsplan dat ter inzage wordt gelegd. Daarna is op het besluit beroep mogelijk.”

Nog afgezien van de juridische implicaties moet een gemeente zich eerst afvragen welke keuzes belangrijk zijn in het kader van de energietransitie. Waar wil de gemeente op inzetten? We zitten in een tijd waar ontwikkelingen hard gaan, er kunnen ook weer nieuwe schonere bronnen van energie bijkomen die we nu nog niet kennen. Het is voor een gemeente niet gemakkelijk om keuzes te maken. Bestaan er volledig schone vormen van energie? Zo ja, kunnen deze aan de vraag aan energie voldoen? De hele maatschappij vraagt energie, in alle vormen. Terug dus naar de basis, beleid opstellen voor energietransitie en dan pas afvragen of er ook regels nodig zijn om in het omgevingsplan over dit onderwerp op te nemen. Deze eerste stap is al moeilijk genoeg!

Sneller bouwen? Schaf dan participatie af!

Sneller bouwen minister de Jonge? Schaf dan participatie af!

Het Rijk lijkt de regie weer te nemen in wonen en ruimtelijke ordening. Volgens een brief van 14 februari 2022 is volkshuisvesting een van de kernopdrachten van de overheid. Dit betekent het herwinnen van de publieke ruimte op het vrije spel der krachten, aldus de brief. Het is goed nieuws dat het Rijk zich weer actief gaat bemoeien met ruimtelijke ordening. Hoewel de Omgevingswet nog gebaseerd is op het tegendeel: het Rijk laat hier de teugels vieren (decentralisatie) en laat vrijwel alles aan de gemeente over, is er dus weer een tegenbeweging te bespeuren. Dat is goed nieuws!

Nederland is een klein land en het is noodzakelijk dat er ook op helicopterniveau gekeken wordt naar de ruimtelijke inrichting van een land. Dat kan niet op lokaal niveau en binnen de gemeentegrenzen. Op lokaal niveau spelen te veel persoonlijke belangen en het is lastig op dit schaalniveau het totaaloverzicht te behouden. Dat is wat anders voor het verlenen van vergunningen of voor lokale bedrijvigheid. Dat kan prima op gemeentelijk niveau, maar de ‘piketpalen’ van belangrijke onderwerpen moeten door het Rijk worden geslagen. Een hoofdkader waar eenieder binnen moet blijven. Daar binnen mag de gemeente op lokaal niveau opereren en is vrijheid van handelen nodig. Een overheid die slechts faciliteert in ruimtelijke ordening is bestuurlijk failliet. Daar hebben bewoners niets aan.

Sneller bouwen, minister de Jonge? Schaf dan de participatie af! – In maart 2022 wordt de Nationale Woon- en Bouwagenda gepresenteerd door de minister. Versnelling van bouwen is volgens de minister gewenst. Dat klinkt heel stoer en daadkrachtig, maar hoe gaat dat gebeuren in een land vol inspraak, participatie of hoe het ook mag heten? Onder de Omgevingswet moet er nog meer participatie plaatsvinden. Het onderwerp staat nu ook bovenaan de agenda van lokale bestuurders. De wettelijke procedures voor het bouwen mogen dan wel korter worden onder de Omgevingswet, maar als aan de voorkant meer aandacht moet worden besteed aan participatie en inspraak, dan is er geen sprake van versnelling. Integendeel.

Participatie bij een bouwproject kost heel veel tijd en zeer veel geld: mensen informeren, inspraakavonden, inloopmiddagen, een participatiespel via Ipads, ambtenaren die behalve mondeling, ook weer schriftelijk moeten reageren, verslaglegging, inspreken bij raadsvergaderingen, etc. Eindeloos kan dit doorgaan, en nog doen gemeenten en initiatiefnemers het niet goed. Er zijn zelfs wethouders die participatie willen bij vrijwel alle bouwwerken. Ja, die bestaan echt. Qua stemmen kan een lokale bestuurder hiermee scoren. Alle initiatiefnemers moeten nu zelf inspraak organiseren en aan kunnen tonen dat die goed is verlopen. Dat kost heel veel tijd. Dus minister de Jonge: vertel eens het eerlijke verhaal en ga niet verbloemd zeggen dat die gemeenten het weer helemaal verkeerd doen! De bouwpraktijk, ruimtelijke ordening en menselijk gedrag zijn zeer complex en weerbarstig. Sneller bouwen is niet simpel. Dan laat ik de opgaven voor de energietransitie en stikstof nog buiten beschouwing…

Begrippen omgevingsplan standaardiseren?

Begrippen omgevingsplan standaardiseren?begrippen omgevingsplan

In het systeem van de Omgevingswet (Ow) is het de bedoeling om zoveel mogelijk gestandaardiseerde begrippen te gebruiken in het omgevingsplan. De begrippen die zijn opgenomen in de Ow hoef je niet op te nemen in het omgevingsplan, omdat deze op grond van artikel 1.1. Ow ook gelden voor het omgevingsplan. Voor de begrippen die zijn opgenomen in de AmvB’s geldt dit niet.

Bij het opnemen van begrippen voor het gemeentelijke omgevingsplan is het belangrijk om kritisch te kijken en vragen te stellen:

  • Is het nodig een definitie op te nemen in het omgevingsplan?
  • Is het begrip onduidelijk zonder definitie?
  • Hanteren we de begrippen zoals die zijn opgenomen in de AmvB’s?

In bestemmingsplannen staan vaak heel veel begrippen. Deze zijn in de loop van de tijd ontstaan en erin geslopen. Vaak door gewoonte, begrippen over te nemen van het oude bestemmingsplan en onvoldoende na te denken of de begrippen wel nodig waren. Het is verleidelijk om allerlei begrippen op te nemen onder het motto ‘baat het niet, dan schaadt het ook niet’. Of uit angst om begrippen te schrappen. De begrippen die staan opgenomen in de AmvB’s staan in een bepaalde context. Soms vanuit een bouwtechnische bril en de andere keer vanuit milieu- of bouwbelangen. Het is belangrijk om je dat te realiseren. Een illustratie hiervan tref je aan in een uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022. In deze uitspraak gaat het om de begrippen wonen en logiesfunctie, elk met een eigen context. Dé definitie bestaat niet.

Ga eens met een stofkam door alle definities die zijn opgenomen in de geldende  bestemmingsplannen van de gemeente. Zijn die nog steeds relevant? Gaan we die ook gebruiken voor het nieuwe omgevingsplan? Bekijk jurisprudentie over begrippen. Zijn ze nog actueel? Uit eigen ervaring weten we dat begrippen in bestemmingsplannen vaak pas echt doordringen na juridische procedures of bij het toetsen van bouwplannen. ‘Oeps, dit bouwplan toelaten was niet de bedoeling’. Doe er je voordeel mee bij het maken van het juridische basiscasco voor het nieuwe omgevingsplan.

Vanuit het Rijk is het devies: ga terughoudend om met begrippen in het omgevingsplan. Begrippen moeten ondersteunend zijn en een doel hebben voor het omgevingsplan. Daar zit wat in. Vanuit het Rijk (en VNG) wordt ook standaardisatie van begrippen geadviseerd: de harmonisatie van begrippen. Dat laatste is vooral ingegeven vanuit het DSO-LV (samengevat: ICT-doeleinden of wel machineklaar maken). Op zich prima uitgangspunten, maar mensen die werken of gewerkt hebben in de gemeentelijke praktijk weten ook: de praktijk is weerbarstig, contextafhankelijk en niet altijd te vatten in zwart/wit ICT-terminologie. Dat is een illusie. Ook maakt het gebied waar het plan geldt nogal uit.

Ons motto is: eerst een samenhangend juridisch omgevingsplan, daarna het ICT-gedeelte. De ICT moet dienend zijn aan het omgevingsplan, en niet andersom.

Grondentrechter Raad van State blijft gelden

Grondentrechter Raad van State blijft geldengrondentrechter beroep

Tussen het instellen van beroep en hoger beroep geldt in het bestuursrecht in het algemeen een grondentrechter. Dat wil simpelweg zeggen dat iemand in hoger beroep geen nieuwe gronden kan aanvoeren dan die in beroep naar voren zijn gebracht. Op de in hoger beroep ingebrachte gronden wordt door de Raad van State inhoudelijk niet op ingegaan. Voor het omgevingsrecht geeft de Raad van State in een uitspraak van 9 februari 2022 het volgende aan:

De Afdeling heeft in haar uitspraak van heden (…) overwogen dat zij ter bevordering van de rechtseenheid en om redenen van rechtsbescherming aanleiding ziet de grondentrechter tussen beroep en hoger beroep te verlaten. In die uitspraak is ook overwogen dat dit niet geldt voor het omgevingsrecht. De Afdeling zal in omgevingsrechtelijke zaken de grondentrechter tussen beroep en hoger beroep blijven hanteren. De reden daarvoor is dat in zaken over omgevingsrechtelijke besluiten in het merendeel van de gevallen belangen van derden zijn betrokken. Daarin verschillen omgevingsrechtelijke zaken van niet-omgevingsrechtelijke zaken, waarin in het merendeel van de gevallen sprake is van tweepartijengeschillen. Vanuit een oogpunt van rechtszekerheid voor die derden is het van belang dat de bestuursrechter niet alleen waakt over de procespositie van derden die hoger beroep instellen, maar ook voor de procespositie van de overige partijen waaronder die van vergunninghouders (…). Daar komt bij dat het in omgevingsrechtelijke zaken vaker gaat om zaken met grote maatschappelijke belangen zoals infrastructurele projecten, woningbouw en energietransitie met korte wettelijke afdoeningstermijnen waarvoor een efficiënte rechtsgang extra van belang is. Ook daarom is het nodig dat de omvang van het geding in die zaken tijdig wordt afgebakend. In zaken over het omgevingsrecht blijft daarom als uitgangspunt dat de grondentrechter tussen beroep en hoger beroep toepassing blijft vinden. Alleen als is uitgesloten dat het toestaan van één of meer nieuwe gronden in hoger beroep leidt of kan leiden tot benadeling van derde-belanghebbenden, kan de bestuursrechter een uitzondering maken op genoemd uitgangspunt. Voor zaken die onder het procesrecht van de Crisis- en herstelwet vallen, geldt echter dat de grondentrechter steeds wordt toegepast.” Lees meer in rechtsoverweging 7.

MH: Vanuit de kant van de overheid lijkt dit gunstig. ‘Gezeur’ van de burger dat inhoudelijk niets toevoegt, hoeft bij procedures bij de Raad van State niet langer te worden behandeld. Vanuit het oogpunt van efficiency en kosten is daar veel voor te zeggen. Toch knaagt er iets. In omgevingsrechtelijke zaken heeft de gemiddelde burger een grote kennisachterstand en is het vrijwel onmogelijk gaten te schieten in besluiten van de overheid. Met name bij grote projecten met dito gevolgen kan dit uitgangspunt nadelig uitpakken. Grote projecten zullen vrijwel altijd doorgang vinden. De overheid kan dure gespecialiseerde advocaten veroorloven en andere specialisten die voor de gemiddelde burger onbereikbaar zijn. Een procedure vertragen kan wel, de overheid doet het huiswerk dan opnieuw door bijvoorbeeld nieuw onderzoek te doen, maar uiteindelijk komt het project er toch. Dat is geen goede ontwikkeling. Ook de overheid maakt fouten en neemt beslissingen die niet altijd goed uitpakken voor mensen. Uiteindelijk is de overheid er voor de burger (lees: mensen), en niet andersom!

Omgevingsplan met teveel flexibiliteit?

Omgevingsplan met teveel flexibiliteit?Omgevingsplan

In de huidige wereld waar ontwikkelingen zeer snel gaan is een flexibel bestemmingsplan erg prettig voor de praktijk. Een bestemmingsvlak met ruime mogelijkheden en het kunnen wisselen van functies zonder omgevingsvergunning is prettig. Dit geldt ook voor omgevingsplannen. De grens is het rechtszekerheidsbeginsel. Een bestemmingsplan of omgevingsplan moet ook rechtszekerheid bieden aan burgers. Niet alles moet kunnen, er zijn grenzen. Die grenzen zijn niet altijd eenvoudig te trekken.

Een mooi voorbeeld uit de praktijk biedt een uitspraak van de Raad van State van 9 februari 2022. Het bestemmingsplan in kwestie maakt uitbreiding mogelijk voor een recreatiepark. Een deel van het plangebied is ingedeeld voor dagrecreatie. Dit terrein staat open voor de gasten van het park. Verder is er ook bebouwing voorzien voor het houden van paarden voor de gasten van het park. Van een manege is volgens de raad geen sprake. Op het terrein zijn verder sport- en speelvoorzieningen beoogd. Voor het gehele terrein is een specifieke indeling gemaakt. Een belangrijk aspect is echter niet uitgevoerd: het vastleggen van het gebruik en de indeling in planregels. Hier wringt de schoen: “Verder stelt de Afdeling vast dat naast het feit dat de beoogde perceelindeling niet is opgenomen in de planregels, ook onduidelijk is wat in de planregels moet worden verstaan onder dagrecreatie en voorzieningen voor dagrecreatie. Beoogd is de paardenvoorzieningen op het perceel uitsluitend beschikbaar te stellen voor maximaal 20 paarden van de gasten van het nabijgelegen vakantiepark (…). Dit volgt echter niet uit de planregels. Hetzelfde geldt voor de dagrecratieve activiteiten die buiten het multifuntionele gebouw in de buitenlucht worden aangeboden. Beoogd is dat die activiteiten geen zelfstandige verkeersgeneratie veroorzaken, omdat die activiteiten uitsluitend beschikbaar zijn voor de gasten van het nabij gelegen vakantiepark en voor wandelaars, fietsers en ruiters uit de omgeving, maar dit volgt niet uit de planregels. (…). 

Vergunningvrij bouwen en omgevingsplan

Vergunningvrij bouwen en omgevingsplan vergunningvrij bouwen

De tendens van de afgelopen 20 jaar is dat er vergunningvrij steeds meer mogelijk is. Dit zijn meestal bouwactiviteiten met een relatief beperkt ruimtelijk impact op de omgeving. Onder de Omgevingswet (Ow) wordt dit uitgangspunt in beginsel voortgezet. De verandering is wel dat voorheen het Rijk de gevallen aanwees die vergunningvrij waren en onder de Ow mag de gemeente dat ook doen in het omgevingsplan.

Er bestaan onder de Ow 2 vergunningplichten voor bouwactiviteiten, dit wordt de knip genoemd:

  • vergunningplicht voor bouwen (de ‘bouwtechnische’ toets)
  • vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteiten (de ‘ruimtelijke’ toets).

Ook voor de vergunningplichtige activiteiten is deze knip aangebracht. Het Bbl bevat 2 lijsten van activiteiten waarvoor geen vergunning nodig is:

  • artikel 2.15d van het Bbl: deze gevallen zijn vrijgesteld van de bouwtechnische toets
  • artikel 2.15f van het Bbl: deze gevallen zijn vrijgesteld van de ruimtelijke toets.

Gemeenten hebben in het omgevingsplan de vrijheid om zelf bepalen welke (omgevingsplan)activiteiten vergunningvrij zijn en welke niet. De term ‘omgevingsplanactiviteit’ is enigszins verwarrend. Het is een verzamelbegrip voor alle soorten van vergunningplichten en betreft zowel gebruiken als bouwen.

Om een bouwwerk onder de Ow geheel vergunningvrij te kunnen realiseren moet een bouwwerk zowel op de vergunningvrije lijst van de bouwtechnische toets staan (artikel 2.15d) , als op de lijst waarvoor geen ruimtelijke toets nodig is (artikel 2.15f). Als een bouwwerk maar op één van de lijsten voorkomt, moet voor de andere activiteit een vergunning worden aangevraagd.

De opvallendste wijzigingen ten opzichte van de Wabo zijn:

  • Er wordt geen onderscheid gemaakt in voor- en achterzijde (achtererfgebied) als het gaat om de vergunningvrije activiteiten voor de bouwtechnische toets. Alle bijbehorende bouwwerken van maximaal 5 meter hoog, zonder dakterras of balkon, zijn voor de bouwtechnische toets vergunningvrij: zowel voor de voorgevel als achter de achtergevel.
  • Bijbehorende bouwwerken komen als categorie niet meer voor op de lijst van vergunningvrije bouwwerken voor de ruimtelijke toets. Dat betekent dat alle bijbehorende bouwwerken weer vergunningplichtig worden, tenzij de gemeente in het omgevingsplan deze categorie alsnog vergunningvrij aanmerkt.